woensdag 15 november 2017



PARLANDO'S









tien tamelijk prozaïsche gedichten van don vitalski,
gratis hier op deze blog;


inhoud:

-beethoven
-de jonge werther
-twintig zestig
-wandelende tak
-plas
-iemand anders
-moeder
-zal ik jou eens vergelijken met een vogel
-laatavondgebed
-waarom nooit verlof

--------------------------------------------------------------------








BEETHOVEN


het is juist een goeie zaak
om jezelf doorgaans
een
nulliteit te voelen.

niet aldoor,
maar zeker wel af en toe.

eerst, toen je zeer jong was,
wilde je van alles betekenen;

vandaag zie je dat er niemand is
tegenover wie je iets
zou willen betekenen.

wat had de hard werkende beethoven
aan zijn tijdgenoten?

als het ze paste,
kwamen ze naar zijn concerten,
maar dan enkel zoals zij zich
de laatste nieuwe bolhoed aanschaften.

tegen betaling moest hij zelf
zijn zaal afhuren,
zijn jongere broer liet hij
de ticketjes natellen.

vandaag kan hij zich beroemen
op hier of daar
een standbeeld

in een lelijk park
in koude tocht.

en toch moet je
kwaad blijven ook.













DE JONGE WERTHER


hij kwam thuis, schreef nog een brief
in het vreemde licht
dat door de ramen viel,
de schuivende maan,

zette zich op zijn knieën,
snoof aan de handschoen zijner geliefde,
greep een revolver van tafel,
knalde zich door zijn rechteroog.

dat goethe zélf zich hiervan
distantieerde nadien,
van zijn eigen personage,

was het allerergste
dat de jonge werther overkwam.
erger dan dat hij lotte niet kon krijgen!






































TWINTIG ZESTIG


zet mij maar af
aan het kruispunt van de singel
met
de grote steenweg.

voor een voettocht in smal schoeisel,
door luizen getergd,
op een verfrommelde zondag.

gigantische putten
voor een bouwwerf,

slapende bulldozers
in kille modder,

hier of daar toch wel
een coiffeur die nog open is...

de buurt waar ik woon,
begint in zwerfvuil.

waar een kaalgeschoren jongen van zestien
tegen de huisgevel
van een halfbewoond krot
staat te zeiken,

terwijl zijn pools aandoende, halfnaakte moeder
hem staat uit te kafferen
in een ijzingwekkende on-taal.

de buurt waar ik woon,
begint bij de kapotgeslagen vitrines
van een winkel voor sportweddenschappen
en tele-kaarten.

zelfs de nachtwinkels
waar afrikaanse vrouwen
hun pruiken kopen,

zijn voor deze buurt
al van een té hoog niveau.

mijn eigen buurt begint
waar sommige marokkanen en/of albanezen
bij iédere bocht die ze maken,
hun banden laten scheuren
en krijsen en piepen

en die zelfs optrekken
wanneer ze een pààr meters voor zich
het licht op rood hebben.

die
claxoneren om niks.

waar roetfilterloze stadsduiven
maar één poot hebben,

uitgeteerd op zoek
naar dé finale mesthoop
om in te creperen;

daar
is de buurt
waar ik thuiskom.













































WANDELENDE TAK


mijn god, hoe kan ik
zo fenomenaal naakt zijn geworden.

kan ik
hebben gebouwd op moerasgrond.

en toch: met de rug aldoor gerecht,
al die dagen...

vrienden overal,
en overal communicatie...

een wandelende tak,
afgrijselijk vermagerd,

weet iedere morgen niet
waar naartoe.

en toch
altijd

op het einde van de dag
zijn slaapzak vinden.

een einde
aan iedere lange dag op het einde.






























PLAS


vroeger op school was er een jongen
die van thuis nooit zakgeld kreeg.

dus: aan de deuren van Snoepwinkel De Kost
zeiden ze tegen hem:

je krijgt twintig frank
als je hier
met je kleren aan
in deze plas gaat zitten.

in zijn lange, beige regenjas
en met zijn schoenen aan
ging hij plat op zijn zitvlak

in die plas zitten,
die hem was aangewezen.

hij trok daar
veel aandacht mee.

iets later
kwam hij me zeggen:

"nu
bén ik in die plas gaan zitten -

maar toch
hebben ze mij niét
die twintig frank gegeven!!..."

daar kon hij
met zijn verstand niet bij.

mijn jeugd lang
is dat beeld mij voor ogen gebleven;

dat van die verbeten jongen
in die smerige plas
rond een uur of drie
in de tochtige namiddag.

pas een paar jaar nadien
zag ik dit opeens overal;

volwaardige mensen die zich in maatpak
of anders
in een uitgelodderd uniform,

of anders
met géén kleren aan,

iedere dag opnieuw
in die plas neerzijgen -

ook plat op de buik,
ook soms kopje-onder;

om er nooit voor terug te krijgen
wat ze ervoor zouden moéten terugkrijgen.

die plassen bieden zich overal aan,
alsof het altijd juist
gedaan heeft met regenen.























IEMAND ANDERS


ik wou dat ik
iemand was
die meer aandacht had voor anderen.

iemand die steeds
enthousiast kon luisteren
naar de geschiedenissen van anderen.

die daar
de goesting voor had,
van ’s morgens tot ’s avonds.

die daar
nieuwsgierig naar was,

onbevangen
en ontvankelijk,

klaar
om alleen
het allerbeste te geloven.

iemand die er
de gave voor had

om 's nachts door het regenweer
die startkabels te komen brengen.

"komaan,
dat
sprak toch vanzelf?"

dat ik alleen vandààg,
alleen dit uur leefde -
voor anderen.

om mijzelf zorgeloos,
bekommerd om iedere toevallige
passant.

iemand
die zijn geld
niet
natelde,
maar die het allemaal weggaf.

en die niet angstig was,
maar opgewekt.

geheel oprecht
wou ik dat ik was.

iemand die
niks hoefde te bewijzen.































MOEDER


hoewel ik ze goed kon verstaan,
wisten ze niet
dat ik aan het meeluisteren was,

de buurvrouwen en
mijn moeder.

die buurvrouwen zeiden:
het zal toch wel deugd doen
als het school onderhand terug begint.

en toen zei mijn moeder: dat
vind ik niet.

van mij
mag de vakantie
voor altijd blijven duren.























ZAL IK JOU EENS VERGELIJKEN MET EEN VOGEL


je draait iedere dag
die ene, zelfde plaat af.

en je kijkt iedere middag
in die ene, zelfde richting.

maar nooit
gebeurt daar nog iets.

je bent als een zeldzame papegaai
die niet kan vliegen.

en
niet kan zingen.

misschien wel
een beetje praten,
maar zeker niet vliegen!

en als je wél
zou kunnen vliegen,
wat dan?

naar wààr dan?

met zo weinig pluimen
op doorreis naar waar?












LAATAVONDGEBED


sinds kort zie ik soms nu al ineens
het stadium waar ik zal eindigen.
de mens tot wie ik zal worden.
en dan wou ik, dat ik daar nu al was.

maar neen, nog eerst die omwegen voor de boeg,
die moedwillige flauwekul - er is toch
een kortere weg, een binnenweg?
vermits ik het vandaag toch al inzie?

misschien uit liefde voor de herinnering
zal ik die pijnlijke kinderachtigheden,
waar ik eertijds aan vasthing

maar nu al niet meer,
pas achter mij kunnen laten
van zodra het te laat is.






























WAAROM NOOIT VERLOF


hij kon nooit een gesprek voeren met iemand
zonder intussen aldoor te zoeken

naar woorden
die nog gebruikt zouden kunnen worden.

die nog zouden kunnen worden meegesleept
tot in zijn smerige, eenzame,
schemerige,
tochtige hol.

waar nog de blauwe zee van circe
op de rotsen beukt...

maar wat,
als hij de mensheid nu eens
géén vijf manuscripten zou hebben nagelaten,

maar
slechts vier manuscripten?

zodat hij precies
zeventien jaar
vakantie gehad zou hebben.

- aan “finnegan's wake”
schreef hij toch zeventien jaar lang
onafgebroken...

naar het casino, iedere dag,
en langdurig ontbijten en
wél discussiëren over politiek...

dobbelen, vroeg gaan slapen,
bloemen schikken.

neen, dat kon hij niet, hij
moést
zichzelf
folteren

tot effenaf
àlles op was.